De naam Hans Gruijters (1931-2005) is bij de meeste D66’ers tamelijk onbekend – en dat is opmerkelijk: hij bepaalde als mede-oprichter in belangrijke mate het originele gedachtegoed van de partij. Tegelijkertijd valt zijn onbekendheid de sociaal-liberalen moeilijk kwalijk te nemen. Gruijters valt in de tragische categorie van historische figuren die in archieven, artikelen en boeken zijn beland, maar nooit het collectieve geheugen bereikten. In veel gevallen is dat te wijten aan eentonige persoonlijkheden, maar niet bij Gruijters.
Ingezonden door Marius Ceulen
Het was een man met een groot intellectueel vermogen, die controversiële humor niet schuwde. Bij de opening van de eerste gevangenis in Lelystad zei hij overeenkomsten te zien met zijn ambt: hij gaf als burgemeester van die stad al jaren leiding aan een open inrichting (Tammes, p. 203). Sommige van zijn ideeën staan vandaag de dag nog fier overeind en blijven onverminderd boeiend, met name voor ons Jonge Democraten.
Gruijters groeit op in Helmond te midden van een katholiek gezin. In het nabijgelegen Eindhoven behaalt hij het gymnasiumdiploma, waarna hij in Amsterdam aan de studies politicologie en psychologie begint. Zijn grote interesse voor internationale betrekkingen leidt uiteindelijk tot journalistieke ambities, die hem bij het Algemeen Handelsblad brengen. Daar ontmoet hij de jonge Hans van Mierlo (Verkroost p. 20). Het duo zou jaren later in de pers omschreven worden als ‘het brein en het imago’ van D66 (Boomsa, p. 9).
In diezelfde periode wordt Gruijters namens de VVD lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Als fervent tegenstander van het communisme spreekt de eerbied voor particulier initiatief hem erg aan (Verkroost p. 31). Tegelijkertijd heeft hij op de liberale partij ook het nodige aan te merken; het zal mede daardoor geen gelukkig huwelijk blijven.
Demonstratierecht
Als raadslid zet Gruijters zich in voor de vrijheid van Amsterdammers om te demonstreren – een recht dat vandaag de dag opnieuw onder druk staat. Die politieke optredens leiden regelmatig tot conflicten met burgemeester Van Hall. Als gevolg van het politiegeweld tegen de provo’s, het pacifistische ‘Ban de Bom’ en tijdens het huwelijk van prinses Beatrix roept Gruijters hem meermaals ter verantwoording.
Gruijters geloofde in demonstreren, juist wanneer dat schuurde. Naar zijn idee wordt er bij een vreedzaam protest veel te snel naar de gummiknuppel gegrepen (Verkroost p. 34). Deze heldere liberale gedachte lijkt in de Nederlandse politiek soms zoek. Het kabinet Schoof maakte in 2025 zelfs plannen voor het inperken van het demonstratierecht. Daarbovenop concludeerde Amnesty International dat er in Nederland vaak onrechtmatig wordt ingegrepen. Zo opende de Landelijke Studentenvakbond bijvoorbeeld een hulplijn nadat er berichten kwamen dat studenten bij verschillende campusdemonstraties ernstig waren gewond geraakt door politieoptreden.
Juist in een periode waarin demonstreren steeds populairder wordt onder jongeren, is het cruciaal voor D66 om dit recht politiek te blijven verdedigen, zoals Gruijters al deed in de jaren ’60.
Een overgang naar D66
7 Na een conflict met de VVD over de uitnodiging voor een ontmoeting met Beatrix, die hij weigert met de woorden: “Ik heb wel iets beters te doen”, zet die partij een streep door zijn volgende kandidatuur. Niet lang daarna raakt hij betrokken bij de oprichting van D66. De schoolvrienden Peter Baehr en Erik Visser maken zich zorgen om de politiek en verlangen terug naar een partij zoals de Vrijzinnig-Democratische Bond. Tegelijkertijd hebben ze geen ervaring en zoeken ze een voorman. Het oog valt op Gruijters die in dit vroege stadium zijn collega Van Mierlo erbij betrekt. Beide heren voorzien dat de ontzuiling zal zorgen voor grote politieke problemen en dat het bestuurssysteeem zijn beste tijd dus heeft gehad (Verkroost p. 48). Hij ziet een rol als partijleider echter niet voor zich: hij wil voorkomen dat men de partij als een afsplitsing van de VVD ziet.
De overeenkomsten tussen Van Mierlo en Gruijters zijn opvallend: beiden kwamen uit Noord-Brabant, stapten op jonge leeftijd af van hun katholieke geloof en behaalden nooit een rijbewijs[4] [MC5] . Toen Gruijters later als minister aangaf liever met de trein te reizen dan met de dienstauto, werd hem duidelijk gemaakt dat dit onmogelijk was; hij zou geheime kabinetstukken in de coupé kunnen vergeten. Het verzoek om in dat geval alleen zijn aktetas per dienstauto te laten vervoeren werd afgewezen (Tammes, p. 39).
Binnen korte tijd komt de beweging tot leven, krijgt een naam en doet met succes mee aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1967. Gruijters kandideert zich nog niet. Het zal uiteindelijk jaren duren voordat hij zich naar voren laat schuiven op de kieslijst van D’66, een ontwikkeling met historische afloop: hij wordt kort daarna haar allereerste minister.
Woningbouw
10 Gruijters krijgt binnen het kabinet-Den Uyl het Ministerie van Volkshuisvesting toegewezen, een dossier waarop hij in de Amsterdamse gemeenteraad ook actief was. Het kabinet had – evenals het aanstormende – grote ambities op dit vlak. Ook toen schoot de bouwproductie tekort, waarmee jongeren uit de naoorlogse geboortegolf in de knel kwamen (Verkroost, p. 126). Daarom krijgt iedereen vanaf 18 jaar onder Gruijters het recht op een woning en worden HAT-eenheden voor jongeren geïntroduceerd. De ministerraden lijken hem overigens weinig te boeien – hij gebruikt ze om te lezen. Wanneer Den Uyl hem daarop attendeert reageert hij als volgt: “Ik lees niet met mijn oren (Verkroost, p. 113).
De woningbouw is het terrein waarop hij zich een carrière lang profileert, onder meer als president van meerdere belangrijke bouwraden (Tammes, p. 148). De woningnood onder jongeren, waarmee hij in dit leven werd geconfronteerd, maakt duidelijk hoe structureel hardnekkig dit beleidsveld is gebleven.
Bestuurlijke ambitie
Het cv van Gruijters is indrukwekkend, maar zijn politieke ambities reikten verder dan het ministerschap alleen. Hij probeerde daarna door te stoten naar nieuwe bestuurlijke functies. De successen bleven echter uit. Tweemaal solliciteerde hij vergeefs naar het commissariaat van de koningin (Tammes, p. 143). Daarnaast positioneerde hij zich als mogelijke burgemeester van steden als Amsterdam, terwijl een benoeming tot gedeputeerde van Noord-Holland al sneuvelde. Later kwam er alsnog een nieuwe bestuurlijke functie: Gruijters werd de eerste burgemeester van Lelystad. Het zou meteen zijn laatste politieke ambt worden.
Het zou uiteindelijk tot 1991 duren voordat een D66-commissaris op een provinciehuis werd aangewezen, in de 35 jaar daarna volgden er slechts drie. Daarnaast heeft niet alleen Amsterdam nooit een D66-burgemeester gezien, de zeven grootste gemeenten hebben het altijd zonder gedaan. Ook een eurocommissaris kwam er tot op heden niet. De ambitie die Gruijters liet zien, pasten dus niet bij de partij van toen, maar ook niet bij de partij van nu. D66 heeft zich, ondanks haar verschillende kabinetsdeelnames, namelijk nooit weten te ontpoppen tot een partij die belangrijke posities bekleedde buiten Den Haag.
Gelukkig liggen er hier op dit moment veel kansen. Nu D66 de eerste minister levert is het zaak om verder te kijken dan die functie. Dat kan door volop in te zetten op de volgende gemeenteraadscampagne, maar ook op de lange termijn. Het einde van de huidige Europese Commissie in oktober 2029 valt bijvoorbeeld samen met het Nederlandse voorzitterschap van de EU-raad, wat een kans biedt om een belangrijke EU-commissaris te leveren. Door zulke posities te bekleden in het bestuurlijke domein wordt niet alleen de politieke invloed uitgebouwd, maar krijgt talent binnen D66 meer kansen om nieuwe bestuurlijke ervaring op te doen.
Een onafhankelijke geest
De invloed van Hans Gruijters ligt voornamelijk besloten in het D66 van de jaren ’60 en ‘70. Daarmee was het geen politicus die zijn naam in marmer achterliet. Toch blijft het nalatenschap van zijn ideeën ook relevant voor het Nederland en de partij van nu. Als onafhankelijke geest trok hij zich van weinigen iets aan en riep met zijn publieke optredens op tot dwarsdenken. Of zoals Boris Dittrich, als fractievoorzitter van de Tweede Kamer, het na diens dood omschreef: “de erfenis die Hans Gruijters naliet, was de geestdrift voor verandering” (Tammes, p. 232).
Bronnen:
Boomsma, D. (2016). De keuze van D66. Uitgeverij Boom
Tammes, K. (2020). Een verdwaalde intellectueel. Uitgeverij Prometheus.
Verkroost, R. (2018). Hans Gruijters: Een dwarse democraat. Uitgeverij Aspekt. p. 20
Artikelen van redacteuren vertegenwoordigen niet per se de mening van de DEMO of Jonge Democraten. Wil je reageren op dit stuk? Mail dan je reactie (max. 1000 woorden) naar redactiedemo@jongedemocraten.nl
Foto: Nationaal Archief, Minister Duisenberg aan het woord; minister Gruijters (links) leunend tegen een muurtje
